Amfibieën (Amphibia)

Amfibieën zijn koudbloedige dieren uit de stam Chordadieren (Chordata). Het zijn (meestal) kleine, gewervelde dieren met een gladde, kale huid die in of bij het water leven.

Tot de amfibieën horen de:

Er zijn ongeveer 7300 soorten kikkers, 760 soorten salamanders en 200 soorten wormsalamanders.

Veel amfibieën leven in gebieden waar het warm en vochtig is. Toch komen ze ook in ‘onze’ klimaten voor. In Nederland en België leven ongeveer 13 soorten kikkers en 6 soorten salamanders. De Italiaanse kamsalamander is geen inheemse soort, maar heeft zich door uitzetting toch verspreid in Europa en leeft nu op eigen kracht onder andere op de Veluwe. Wormsalamanders worden zelden gezien, ze leven vooral onder de grond en in het water. Er is weinig over ze bekend.

Nog steeds worden regelmatig nieuwe soorten amfibieën ontdekt. Vaak zijn dit minuscule exemplaren die in de diepste delen van het regenwoud leven. In 2017 brachten onderzoekers naar buiten dat na een tweejarige studie wereldwijd 381 nieuwe diersoorten waren ontdekt, waaronder 32 amfibieën. Helaas staan ook veel amfibieën op de rode lijst van de IUCN en bestaat de kans dat vele soorten al uitsterven nog vóór ze ontdekt en/of onderzocht zijn. Dit komt onder andere door grootschalige economische activiteiten in het Amazonegebied, volgens het Wereld Natuur Fonds.

Kenmerken

De naam amfibie is afgeleid van het Griekse woord amphi-bios wat dubbel-levend betekent. De Grieken gebruikten deze naam vanwege de leefwijze van de dieren: ze leven namelijk zowel op het land als in het water. Kikkers hebben een stompe kop, brede bek en vier poten. Ze hebben een peervormig lichaam en lange gespierde achterpoten waarmee ze grote sprongen kunnen maken.

Salamanders hebben een langgerekt lichaam en een lange staart. Ze kunnen snel rennen en zwemmen. De meeste salamanders hebben vier poten, enkele hebben er maar twee zoals de grottenolm: een salamander die zijn hele leven in grotten doorbrengt.

Wormsalamanders hebben geen poten en lijken op een grote worm of een kleine slang. Onderzoekers vermoeden dat de wormsalamander niet alleen gif uitscheidt via de huid, maar ook via de tanden, net als bij gifslangen. Dit zou betekenen dat ook amfibieën een giftige beet kunnen hebben en niet alleen reptielen. Deze theorie moet nog wel verder uitgezocht worden door de onderzoekers. Veel amfibieën kunnen redelijk tegen kou, maar niet zo goed tegen droge warmte. De Amerikaanse boskikker (Rana sylvatica) kan zelfs volledig bevriezen tijdens de winter en toch ontwaken in de lente.

De huid

De huid is een belangrijk orgaan voor amfibieën. Deze bestaat niet uit schubben zoals bij reptielen of vissen, maar heeft een hoornlaag en voelt glad en een beetje slijmerig aan. Via klieren scheiden ze een substantie uit die ze beschermd tegen uitdrogen. Sommige amfibieën ademen zowel door de huid als door de longen. Enkele kleine salamanders en kikkers zijn zelfs helemaal ingesteld op huidademhaling. Dit doen ze dankzij bloedvaten in de huid die zuurstof op kunnen nemen.

Via de huid worden ook de giftige stoffen die gifkikkers hun naam geven afgegeven. Alle amfibieën scheiden gif of andere irriterende substanties uit als verdediging tegen vijanden. De hoeveelheid gif die ze bij zich dragen is meestal niet genoeg om mensen te doden, maar de pijlgifkikker vormt een uitzondering: het gif dat deze kleine kikker bij zich draagt is genoeg om tien mensen te doden!

Voedsel

Onvolgroeide kikkers, padden en salamanders eten eerst voornamelijk afgestorven plantenresten en dode dierlijke delen die in het water zweven. Later volgen ook watervlooien, eenoogkreeftjes en muggenlarven.

Volgroeide kikkers zijn goede jagers die vlees eten, vaak in de vorm van insecten, krekels, slakken en spinnen. Grotere exemplaren eten ook muizen, vissen, vogels of salamanders. In tijden van schaarste zijn kikkers kannibalen: kikkervisjes eten elkaar op en ook volwassen kikkers vangen soms een kleiner exemplaar. Zeer grote exemplaren zoals de Goliathkikker eten - naast insecten - knaagdieren, slangen en hagedissen.

Ook salamanders zijn goede jagers die voornamelijk wormen, insecten, kleine spinnen en slakken eten. Net als kikkers hebben ze een uitrolbare tong waarmee ze razendsnel een prooi kunnen vangen. Watersalamanders in het larvale stadium eten vaak watervlooien (een kleine kreeftachtige), terwijl de al wat grotere landexemplaren kiezen voor jonge krekels en fruitvliegjes.

Het dieet van de wormsalamander lijkt op die van kikkers en salamanders. Insecten, regenwormen en kleine kreeftachtigen behoren tot het standaardmenu. De grotere soorten eten ook kikkers en kleine slangen. Net als kikkers vervallen ze soms in kannibalisme.

Voortplanting

Amfibieën hebben water nodig om zich te kunnen voortplanten. De eitjes waaruit de larven komen, worden gelegd in het water en ook de larven leven alleen in het water, waarna ze langzaamaan poten en longen ontwikkelen. Amfibieën ontwikkelden zich vanuit de vis en waren de eerste gewervelde dieren die het land opzochten. Het kikkervisje herinnert nog aan die tijd: eerst nog zonder poten, maar met staart en kieuwen. Pas in een later stadium ontwikkelen zich de poten en longen waardoor de kikker op het land kan leven. Enkele amfibieën blijven hun hele leven in het larvale stadium, zoals de Mexicaanse axolotl (Ambystoma mexicanum).

De bevruchting van kikkers vindt meestal buiten het lichaam plaats. Het vrouwtje scheidt een grote hoeveelheid eitjes af, waarna het mannetje ze bevrucht. Dit gebeurt tijdens een soort omhelzing die enkele uren tot enkele weken kan duren. Bij salamanders is er wel sprake van een inwendige bevruchting: na een baltsritueel zet het mannetje een pakketje zaadcellen af dat wordt opgenomen door de cloaca van het vrouwtje.

Sommige salamanders zijn eierlevendbarend wat betekent dat de eitjes in het lichaam van het vrouwtje worden uitgebroed waarna de jongen levend worden geboren.

De meeste Amfibieën kennen geen broedzorg. Dat wil zeggen dat ze de gelegde eieren niet zelf uitbroeden en deze niet beschermen tegen vijanden. Een uitzondering is de vroedmeesterpad (Alytes obstetricans). Deze West-Europese pad leeft voornamelijk op het land en draagt de eierensnoeren – omwikkeld rond zijn achterpoten - ongeveer 3 weken met zich mee. Vlak voor de larven uitkomen, zet hij de eieren af in het water waar de larven zich verder ontwikkelen.

Vuursalamanders

Een aantal salamanders vallen in de klasse vuursalamanders die met hun zwarte kleur en gele en oranje vlekken duidelijk herkenbaar zijn. De naam salamander komt uit het Perzisch en betekent – vrij vertaald – vuur van binnen. Lang dachten mensen dat salamanders goed tegen vuur konden en zelfs in het vuur geboren werden. Dit kwam waarschijnlijk doordat salamanders graag de koelte van een houtstapel opzoeken en per ongeluk in het vuur belanden, waar ze direct uitvluchten omdat ze met hun dunne huid juist niet goed tegen vuur kunnen.