Kreeften (Astacidea)

Een culinaire lekkernij, gevoelig sterrenbeeld of toch een tienpotigen van de onderstam kreeftachtigen: iedereen heeft weer een andere associatie bij het woord kreeft. Kreeften (Astacidea) behoren tot de stam geleedpotigen en zijn weer op te delen in drie superfamilies: Astacoidea, Enoplometoidea en Nephropoidea.

Soorten kreeften

Er zijn rivierkreeften en zeekreeften. Ze komen over de hele wereld voor, zeekreeften net zo goed in zoet water als in het zoute water van de zee. Ook in de poolgebieden en de diepzee. Kreeften kunnen ook ze enige tijd op land leven, maar dat houden ze niet heel erg lang vol. Rivierkreeften leven wel uitsluitend in zoet water.

Bekende kreeftensoorten zijn:

  • De Noorse kreeft (Nephrops norvegicus)
  • Europese kreeft (Homarus gammarus)
  • Marmerkreeft (Procambarus spec)
  • Rode rivierkreeft (Procambarus clarkii)
  • Gevlekte rivierkreeft (Orconectes limosus)

Kenmerken

Kreeften komen voor in verschillende afmetingen en kleuren. Zeekreeften zijn zwartblauw van kleur en worden vaak 20 tot 60 centimeter groot. Groter kan ook: er zijn exemplaren gevonden van ruim een meter lang! Rivierkreeften hebben vaak een bruine schutkleur, maar de rode rivierkreeft dankt zijn naam aan zijn opvallende kleur. (Voor de volledigheid: gekookte kreeften zijn ook rood, maar dat is niet hun natuurlijke kleur.) Rivierkreeften zijn beduidend kleiner, ze worden hooguit 20 centimeter lang.

Ze hebben altijd twee grote scharen die verschillend zijn van vorm, afmeting en ook voor verschillende doeleinden gebruikt wordt. De ene schaar wordt gebruikt om prooien zoals tweekleppige schelpen te kraken en voedsel vast te houden. De andere schaar is scherper en bedoeld om eten door de midden te knippen en naar de mond te brengen. Dit is uitzonderlijk, want de meeste geleedpotigen zijn symmetrisch.

Als lid van de orde tienpotigen klopt het dat kreeften in totaal tien poten hebben. Ze hebben hun twee grote scharen, vier paar looppoten en tot slot nog vijf paar zwempoten onder het achterlijf. Ademhalen doet hij met zijn kieuwen die onder de poten en het pantser zitten. Tijdens het lopen krijgt hij meer zuurstof binnen dan wanneer hij stilstaat en dat is maar goed ook, want tijdens het lopen gebruikt hij ook meer zuurstof.

De huid, of het harde pantser van kreeften groeit niet mee tijdens zijn leven. Om niet uit zijn jasje te knappen moet de kreeft regelmatig vervellen. Het nieuwe pantser is wel al aanwezig, maar moet eerst nog uitharden, in deze periode zal de kreeft ‘verstoppertje spelen’ voor vijanden en andere kreeften, want ze zijn in dan kwetsbaarder dan ooit. De oude huid eet de kreeft zelf op.

Kannibalisme komt voor onder kreeften. Sterker nog: ze staan er om bekend. Bovendien zijn het echte vechtersbazen die om van alles ruzie maken. Voedsel, vrouwtjes: alles kan escaleren in een gevecht op leven en dood. Grotere en sterkere kreeften hebben daarbij een natuurlijk voordeel, maar als de kreeften aan elkaar gewaagd zijn, resulteert het vaak in ernstige verwondingen.

Als een kreeft tijdens zo’n gevecht lichaamsdelen verliest, kan hij deze weer laten aangroeien. Regenereren heet dat. Dit gaat wel ten koste van de algemene groei en als hij zijn beide scharen is verloren wordt het wel heel moeilijk voor de kreeft. In een gevecht van leven op dood kiest de kreeft er soms zelf voor om een lichaamsdeel af te stoten. Met deze zelfamputatie verliest hij misschien een deel van zijn lijf, maar kan hij kiezen voor vluchten in plaats van doorvechten tot het bittere einde.

De ogen van een kreeft zijn niet zo goed, hij oriënteert zich vooral met zijn voelsprieten en zijn reuk. Kreeften hebben een hele goede neus en kunnen voedsel al op grote afstand ruiken.

Voeding

Kreeften hebben een hekel aan daglicht en komen pas ’s avonds tevoorschijn uit spleten en holen om te jagen. Ze eten vissen, wormen, tweekleppigen en andere kreeftachtigen. Zoals gezegd staan ze bekend om hun kannibalisme. Lange tijd werd gedacht dat ze uitsluitend aas eten, maar hoewel dat zeker tot het dieet behoort en ze een rottend kadaver snel hebben verorberd, is het niet het enige dat ze eten.

Voortplanting

Rond hun zevende jaar zijn de vrouwtjes geslachtsrijp. Het paringsritueel van kreeften kan dagenlang duren en vraagt een kwetsbare opstelling van het vrouwtje. Maar het begint met verleiding. Dagenlang spuit ze urine in het hol van het door haar gekozen mannetje. Hij raakt hierdoor bedwelmd en nodigt haar uiteindelijk uit om bij hem in te trekken.

Nu volgt een ritueel van liefkozingen waarbij ze elkaar strelen met hun voelsprieten en poten. Deze laatsten zijn voorzien van smaaksensoren. Ook dit ritueel kan dagen duren, tot uiteindelijk het vrouwtje besluit dat ze het mannetje kan vertrouwen en ze zich letterlijk bloot geeft door haar pantser af te gooien en daarmee haar oude spermabuidel die ze tussen haar poten bij zich hield.

Na een korte pauze draait het mannetje haar op haar rug en bevrucht de nieuwe spermabuidel tussen haar poten door er boven te hangen en een pakketje sperma in de buidel te drukken. Zodra dit gebeurt is, gaat het vrouwtje weg om de eitjes te bevruchten die ze nog ongeveer een jaar tussen haar poten bij zich draagt tot de larven uitkomen.

Van de duizenden eitjes en larven worden slechts enkelen volwassen kreeften. Ze doorlopen eerst diverse ontwikkelstadia en vallen in die periode vaak ten prooi aan andere dieren. Pas na enkele vervellingen wordt de larve in het laatste stadium. Hij is dan een minikreeft die nog steeds heel kwetsbaar is. De kreeften die het wel redden, worden ongeveer 10 jaar oud.

Het opwarmen van de aarde vormt wel een probleem voor de voortplanting van kreeften zegt de oprichter van de Lobster Conservancy. Kreeften gaan namelijk pas nadenken over voortplanting als het water kouder wordt. Zolang het water warm is, steekt de kreeft al zijn energie in zijn eigen groei. Nu de koude periodes, die van net boven het vriespunt, steeds korter duren, produceren kreeften minder zaad- en eicellen. Bij aanhoudende warmte denken ze al helemaal niet meer aan voortplanten. Hierdoor vinden er minder bevruchtingen plaats en komen er dus ook minder kreeften. Tel daarbij op dat veel rivierkreeften vatbaar zijn voor ziektes en slecht bestand tegen verontreiniging en je begrijpt dat sommige onderzoekers zich zorgen maken om het voortbestaan van bepaalde soorten.